Arnoldshof

Inhoud

Andere Japanse tuinen-4

De Meiji periode en later 

In 1854 werd het Shōgunaat dat de macht in Japan uitoefende, gedwongen een vriendschapsverdrag met de Verenigde Staten te sluiten en het land open te stellen voor de westelijke mogendheden. Jongere samurai en sympathisanten van de keizer zagen hierin het bewijs dat de shōgun het land niet kon verdedigen en pleegden een coup. In 1867 werd Mutsuhito keizer (Meiji-tennō). Geleidelijk verstomde de roep om de “barbaren” te verdrijven, en kwam daarvoor in de plaats de wens om de westerse beschaving en de Verlichting te adopteren. Weliswaar bleef de keizer goddelijk  en werd hij weer politiek machtig, maar de cultuur onderging sterke Westerse invloeden. Vrijwel alle beroemde literatuur werd vertaald, en er was veel belangstelling voor beeldende kunst en architectuur.

In 1871 werd een wet aangenomen die maakte dat veel oude tuinen van tempels en buitenplaatsen publieke parken werden. De staat van onderhoud was vaak slecht, en het herstel werd krachtig ter hand genomen. Daartoe werden mensen naar Europa gestuurd om daar de parken te bestuderen. Het resultaat was vaak een mengelmoes, zoals nog te zien is in Shinjuku-gyo-en te Tōkyō. 

 

Er zijn ook wel betere voorbeelden, zoals Kōraku-en in Okayama. Dit park was tussen 1687 en 1863 aangelegd door verschillende generaties daimyō, aan de voet van de heuvel waarop hun kasteel nog steeds staat. Aanvankelijk waren er veel rijstvelden en een theeplantage, maar er werden ook dieren gehouden, waaronder kraanvogels. De tuin heette tot 1871 Kōen, “latere tuin”, omdat de tuin pas werd aangelegd nadat het kasteel was gebouwd. Omdat de tuin werd aangelegd in de geest van de uitspraak dat "een goede heerser zich eerder zorgen maakt en zich later verheugt dan zijn onderdanen" werd de naam veranderd in Kōraku-en. Het feit dat er altijd al veel open ruimte was (de rijstvelden), maakt dat de aanleg van grote gazons niet  al te gedwongen overkomt. Bijzonder is het Ryūten, een paviljoen over een stroompje heen, waar vroeger de daimyō uitrustte na een wandeling door de tuin. Daar vinden ook dichtfestijnen plaats zoals genoemd bij “elementen“ (Andere Japanse tuinen-1).    

                                                                       

KORAKUEN-OKAYAMA-3.jpg (19118 bytes) KORAKUEN-OKAYAMA-8.jpg (27074 bytes) KORAKUEN-OKAYAMA-19.jpg (27973 bytes) KORAKUEN-OKAYAMA-23.jpg (26468 bytes)
heuvel en kasteel achter de tuin jari-jima: gravel-eiland rijstvelden Ryūten

 

Er bestond in deze periode weinig kennis en waardering voor de oude tuincultuur. Veel oude tuinen bleven vervallen, soms werden de stenen verkocht om aan geld te komen. Abstractie en symboliek, zo kenmerkend voor die oude tuinen, werden vervangen door realistisch naturalisme: landschappen werden voortaan nagebootst. Dat deze manier van doen kan leiden tot een mooi resultaat, kunnen we zien aan Murin-an.  Deze tuin werd aangelegd in 1894-1896. Hij werd ontworpen door de eigenaar, voormalig veldmaarschalk en eerste minister Aritomo Yamagata, in samenwerking met Jihei Ogawa. Ogawa (1860-1932) was een beroemd tuinontwerper die onder meer de tuin bij Heian-Jingū heeft gemaakt. Murin-an is 3135 m2 groot en is gewijd aan één thema: een stroom in een vrijwel vlak weidelandschap. (Het thema van een stroom in een vlak grasland of weide wordt al in de Sakutei-ki genoemd.) Er werd water gebruikt van het recent gereedgekomen aquaduct. Helaas heeft men de duikers laten verstoppen. 
Er bestaat een anekdote over Yamagata en Ogawa: “Meneer Yamagata, als het aankomt op troepenbewegingen bent u de nummer een in Japan. Maar als het erom gaat een tuin aan te leggen, laat dat dan aan mij over.” En daarna, zo zegt men, heeft Yamagata zich niet meer met de aanleg van de tuin bemoeid. 

De tuin ligt oost-west op een lichte helling, heeft een waterval met drie trappen in het oosten, en de heuvels van Higashiyama als shakkei. In de stroom zijn twee verbredingen die je vijvers zou kunnen noemen, in de vorm van zoete aardappels. De windingen van het water zijn van geen enkel punt uit helemaal te volgen; dat maakt dat de vlakke tuin veel groter lijkt dan hij is. Stenen van allerlei afmetingen zijn optimaal gebruikt. Er staan enkele grote bomen in de tuin, veel beplanting er omheen, niets in of van buiten de tuin verstoort de sfeer.
De schrijver over tuinen Masaaki Ono: "Deze tuin is vervuld van een zorgeloze en progressieve atmosfeer".

 

Murin-an-127.jpg (37085 bytes) Murin-an-126.jpg (37461 bytes) Murin-an-129.jpg (35566 bytes)
waterversnelling stroompje brug over stroompje bij gebouw

 

De meeste tuinen uit de Meiji periode horen bij privé villa’s.

Het herstel en onderhoud waarvan eerder sprake was gold niet de meeste kleinere oude tempeltuinen. Daarvan bleef de staat vaak bedroevend. Achteraf is dat wellicht maar gelukkig. Tussen de beide wereldoorlogen keerde het tij, niet in de laatste plaats door de inspanningen van de tuinarchitect en tuinhistoricus Mirei Shigemori (1896-1975). Van zijn geschriften is weinig vertaald, maar in Japan hadden ze zeker invloed. Shigemori heeft bij een aantal tempels de tuinen grondig vernieuwd. Soms heeft hij zich daarbij gehouden aan oude plannen of tekeningen, soms ook heel nieuwe ontwerpen gemaakt. Als historicus kon hij afstand nemen tot de dingen die hij beschreef, en er het wezenlijke in aanwijzen. In zijn eigen werk is dan ook altijd de hand van de meester zichtbaar: mooie stenen die optimaal gebruikt zijn, functioneel en esthetisch gebruik van de karesansui. De beste dingen uit het verleden zijn toegepast op een manier waarin je de individualiteit van de kunstenaar herkent. Naast de tuinen bij historische plaatsen heeft Shigemori heel nieuw werk gemaakt. We hadden nog niet de gelegenheid daarvan iets in de werkelijkheid te zien. 

We bespreken drie tuinen.

Reiun-in (Tōfuku-ji). De tempel dateert uit 1390. De zevende abt Shosetsu kreeg van daimyō Tadatoshi Mitsuhisa als dank voor zijn houding tijdens de Shimabara-oorlog de Iai-seki, die de berg Shumisen symboliseert (de centrale berg in de boeddhistische kosmologie).  In 1970 heeft Mirei Shigemori de tuin gereconstrueerd in overeenstemming met een prent uit de late Edo tijd. Het kennen van de naam van de tempel helpt om de inspiratie voor de tuin te begrijpen. Reiun-in betekent: Tempel van een vreemde, hoge wolk. Er zijn twee tuinen. De westelijke tuin heet Ga-un-no-tei, “Tuin van de neerliggende wolk”. Men gelooft dat, als de Boeddha Amida (uit het Westen) komt om de wereld te redden, de wolken purper kleuren, een gunstig voorteken. Onmiddellijk onder de veranda is een rand roodkleurige beton in de vorm van een wolk. Ernaast merkwaardige met grof bruin zand gevulde schulpen. De witte gravel erachter symboliseert onschuldig water dat naar de grote zee stroomt. Het loopt door in de tweede tuin, waar in het midden van een zee van gravel de " dierbare steen” (Iai seki) staat in een grote schaal op een rots. De zuidelijke tuin heet Nine mountains, eight seas of Rei-no-tei of Tuin van de dierbare steen.  In de westelijke tuin zijn een droge waterval en een kleine brug. In beide tuinen wordt de achtergrond gevormd door bemoste heuvels, mooie steenzettingen, karikomi en een enkele boom. Als je ziet wat er zoal in staat, kun je goed vinden dat de tuin kitscherig is, maar dat is het niet. Het is een heel eerlijke poging om een oprecht geloof uit te drukken. De enige opmerking die we willen maken is, dat twee van de drie pagodes  nog wel door Shigemori bedoeld kunnen zijn, maar van de 10 lantaarns toch vast weinig. 

 

Reiun-in-8.jpg (35647 bytes)

Reiun-in-11.jpg (46226 bytes)

REIUN'IN-14.jpg (47033 bytes)

Ga-un-no-tei

Iai-seki 

hoge steen in de gedeelde hoek

Tōfuku-ji, hōjō-teien. De hōjō, een van de hoofdgebouwen van de in 1235 gestichte tempel, werd in 1890 gereconstrueerd. De vier tuinen eromheen zijn in 1939 door Mirei Shigemori aangelegd. 

West:

In de met wit zand belegde ruimte staan in de noordwestelijke hoek in vlakke vierkanten  geknipte struikjes. Het is een ruitpatroon met als inspiratiebron rijstvelden: ida-ichimatsu.

Noord:

In hoog mos liggen vierkante vlakke stenen. Links in een ruitpatroon, naar rechts uitwaaierend naar meer mos en minder stenen, om tenslotte geleidelijk over te gaan in zand. Klein ruitpatroon: o-ichimatsu. 

Oost:

In geharkte gravel ronde stenen pijlers (gebruikte funderingsstenen),  die samen de Grote Beer voorstellen. Een inventief en ontspannen ontwerp. 

Zuid:

Geharkte gravel, de vier eilanden van de onsterfelijken in scherp contrast met de vijf afgeronde mosheuvels, die de vijf heilige bergen voorstellen of ook wel de vijf belangrijkste Boeddhistische tempels uit de Kamakura periode. De geharkte gravel wordt Hakkai genoemd, de Acht zeeën. De tuin is omgeven door een witgewassen muur van leem, ca 3 m hoog.

 

De zuidelijke tuin is indrukwekkend en knap, een mijlpaal in de moderne tuinarchitectuur: robuuste en donkere steenstellingen als de eilanden, in hevig contrast met de zachte bemoste heuvels. Shigemori probeert duidelijk iets van de westerse invloed van de abstracte kunst te combineren met het minimalisme van Zen. Maar de exact gedefinieerde inhoud van de samenstellende delen is enigszins tegengesteld aan het wezen van abstracte kunst, en keert zich wat tegen de tuin. Waarom zijn de stenen zo donker, scherp en hoekig, terwijl ze toch bedoeld zijn om de eilanden van de gelukzaligen te symboliseren? Veronderstelden we niet dat die altijd gelukkig zijn?

 

Tofuku-ji-134.jpg (29892 bytes) Tofuku-ji-135.jpg (40827 bytes)
Tōfuku-ji, ten zuiden van de hōjō

Tōfuku-ji, de Grote Beer

 

 

Zuihō-in. Gesticht als Boeddhistisch klooster door Sōrin Ōtomo (1530-1589). In 1578 werd deze fanatiek katholiek. In de jaren daarna maakte de ambitieuze Ōtomo veel slachtoffers onder Boeddhistische monniken en nonnen en verwoestte hij nogal wat Boeddhistische tempels en kloosters. Sinds zijn dood wordt in deze tempel de requiem-sutra gelezen voor zijn zielenheil. 

In 1961 ontwierp Mirei Shigemori twee tuinen ter nagedachtenis aan Ōtomo, een met Boeddhistische, de andere met Christelijke symboliek. Beide tuinen bestaan uit geharkte gravel, mosglooiingen en stenen, waarvan vele verticaal. De Tuin van het Kruis ligt ten noorden van de hōjō. De positie van de stenen duidt een kruis aan. Mooi hoe met dit tot symmetrie uitnodigende gegeven gewerkt is: het kruis ligt ongeveer over de diagonaal en langs een van de lange zijden van de tuin liggen mosheuvels uitgestrekt. In de folder van Zuihō-in staat de volgende zin: "Voor de tuinarchitect is Golgotha in wezen een kruis dat zwaar drukte op de massa van de wereld gesymboliseerd door ontelbaar veel korrels zand."

De zuidelijke tuin heet Zuihō-tei, de Tuin van de Veelbelovende Berg. Tegen een gesnoeide structuur die een rechte hoek vormt staat een groep stenen op en bij een lage mosheuvel. De hoogste verticale steen staat in de hoek; dit zal de veelbelovende berg zijn. De geharkte golven in de gravel worden naar de rotsen toe hoger. Dat roept een gevoel op van een zeer energieke beweging naar het hoogste punt toe, tot zelfs op de rand van onrust.

Er is een binnentuin (tsubo), zoals zo vaak in tempels en kloosters. Hij zou van Shigemori kunnen zijn, maar dat weten we niet zeker. Op de achtergrond op de foto staat bij een compacte stenengroep van bescheiden formaat nu eens niet een varen of een bamboe, maar een Equisetum.

 

Zuiho-in-138.jpg (41710 bytes)

wpeA1.jpg (36161 bytes)

Zuiho-in-136.jpg (38677 bytes)

Zuihō-tei

Tuin van het Kruis

tsubo

 

We vragen hier ook aandacht voor Saburō Sone, een tuinarchitect uit de tweede helft van de 20e eeuw. Hij ontwierp een indrukwekkende stenengroep voor de ingang van Tenryū-ji (Andere Japanse tuinen-2).

In de haven van Ōtsu ontdekten we in 1998 een creatie van de kunstenaar Bukichi Inoue (1930-1997). Hij noemde die zelf Suimen e no kairō, Biwa-ko: galerij naar het water, het  Biwameer. Het was gereed in 1997, het jaar van zijn voortijdige dood. Toen we daar stonden, waren we ons er niet van bewust dat het deel uitmaakt van een tamelijk groot "park", dat door de inwoners van Ōtsu wordt genoemd Shinboru ryokuchi kōen, Symbool van bebost gebied. Maar we kwamen dit te weten door bij de gemeente Ōtsu te informeren. De Afdeling International Affairs was heel vriendelijk en behulpzaam.

Suimen e no kairō bestaat uit twee rijen granieten zuilen met daartussen in plaveisel van grote vierkante granieten tegels een rij kleine bomen. De bomen, Lagerstroemia indica, hebben een prachtige bast, wat vooral goed uitkomt als het blad er af is.

Het is een tuin in een zeer elementaire vorm: bomen in de omarming van pilaren. In het land van de Zen-tuin zijn de vragen naar wat een tuin is en wanneer iets een tuin is, opnieuw gesteld en beantwoord.

Het ontwerp is een zuivere vertaling van de gedachte en de verhoudingen doen weldadig aan.

Geboeid blijven we ervoor staan.

Lopen we naar het water?

Otsu-146.jpg (18445 bytes)

 

      Inhoud    Andere Japanse tuinen-1       Volgende