Arnoldshof
Andere Japanse tuinen-4
Reiun-in (Tōfuku-ji). De tempel dateert uit 1390. De zevende abt Shosetsu kreeg van daimyō Tadatoshi Mitsuhisa als dank voor zijn houding tijdens de Shimabara-oorlog de Iai-seki, die de berg Shumisen symboliseert (de centrale berg in de boeddhistische kosmologie). In 1970 heeft Mirei Shigemori de tuin gereconstrueerd in overeenstemming met een prent uit de late Edo tijd. Het kennen van de naam van de tempel helpt om de inspiratie voor de tuin te begrijpen. Reiun-in betekent: Tempel van een vreemde, hoge wolk. Er zijn twee tuinen. De westelijke tuin heet Ga-un-no-tei, “Tuin van de neerliggende wolk”. Men gelooft dat, als de Boeddha Amida (uit het Westen) komt om de wereld te redden, de wolken purper kleuren, een gunstig voorteken. Onmiddellijk onder de veranda is een rand roodkleurige beton in de vorm van een wolk. Ernaast merkwaardige met grof bruin zand gevulde schulpen. De witte gravel erachter symboliseert onschuldig water dat naar de grote zee stroomt. Het loopt door in de tweede tuin, waar in het midden van een zee van gravel de " dierbare steen” (Iai seki) staat in een grote schaal op een rots. De zuidelijke tuin heet Nine mountains, eight seas of Rei-no-tei of Tuin van de dierbare steen. In de westelijke tuin zijn een droge waterval en een kleine brug. In beide tuinen wordt de achtergrond gevormd door bemoste heuvels, mooie steenzettingen, karikomi en een enkele boom. Als je ziet wat er zoal in staat, kun je goed vinden dat de tuin kitscherig is, maar dat is het niet. Het is een heel eerlijke poging om een oprecht geloof uit te drukken. De enige opmerking die we willen maken is, dat twee van de drie pagodes nog wel door Shigemori bedoeld kunnen zijn, maar van de 10 lantaarns toch vast weinig.
Tōfuku-ji, hōjō-teien. De hōjō, een van de hoofdgebouwen van de in 1235 gestichte tempel, werd in 1890 gereconstrueerd. De vier tuinen eromheen zijn in 1939 door Mirei Shigemori aangelegd.
|
West: |
In de met wit zand belegde ruimte staan in de noordwestelijke hoek in vlakke vierkanten geknipte struikjes. Het is een ruitpatroon met als inspiratiebron rijstvelden: ida-ichimatsu. |
|
Noord: |
In hoog mos liggen vierkante vlakke stenen. Links in een ruitpatroon, naar rechts uitwaaierend naar meer mos en minder stenen, om tenslotte geleidelijk over te gaan in zand. Klein ruitpatroon: o-ichimatsu. |
Oost: |
In geharkte gravel ronde stenen pijlers (gebruikte funderingsstenen), die samen de Grote Beer voorstellen. Een inventief en ontspannen ontwerp. |
|
Zuid: |
Geharkte gravel, de vier eilanden van de onsterfelijken in scherp contrast met de vijf afgeronde mosheuvels, die de vijf heilige bergen voorstellen of ook wel de vijf belangrijkste Boeddhistische tempels uit de Kamakura periode. De geharkte gravel wordt Hakkai genoemd, de Acht zeeën. De tuin is omgeven door een witgewassen muur van leem, ca 3 m hoog. |
De zuidelijke tuin is indrukwekkend en knap, een mijlpaal in de moderne tuinarchitectuur: robuuste en donkere steenstellingen als de eilanden, in hevig contrast met de zachte bemoste heuvels. Shigemori probeert duidelijk iets van de westerse invloed van de abstracte kunst te combineren met het minimalisme van Zen. Maar de exact gedefinieerde inhoud van de samenstellende delen is enigszins tegengesteld aan het wezen van abstracte kunst, en keert zich wat tegen de tuin. Waarom zijn de stenen zo donker, scherp en hoekig, terwijl ze toch bedoeld zijn om de eilanden van de gelukzaligen te symboliseren? Veronderstelden we niet dat die altijd gelukkig zijn?
Zuihō-in. Gesticht als Boeddhistisch klooster door Sōrin Ōtomo (1530-1589). In 1578 werd deze fanatiek katholiek. In de jaren daarna maakte de ambitieuze Ōtomo veel slachtoffers onder Boeddhistische monniken en nonnen en verwoestte hij nogal wat Boeddhistische tempels en kloosters. Sinds zijn dood wordt in deze tempel de requiem-sutra gelezen voor zijn zielenheil.
In 1961 ontwierp Mirei Shigemori twee tuinen ter nagedachtenis aan Ōtomo, een met Boeddhistische, de andere met Christelijke symboliek. Beide tuinen bestaan uit geharkte gravel, mosglooiingen en stenen, waarvan vele verticaal. De Tuin van het Kruis ligt ten noorden van de hōjō. De positie van de stenen duidt een kruis aan. Mooi hoe met dit tot symmetrie uitnodigende gegeven gewerkt is: het kruis ligt ongeveer over de diagonaal en langs een van de lange zijden van de tuin liggen mosheuvels uitgestrekt. In de folder van Zuihō-in staat de volgende zin: "Voor de tuinarchitect is Golgotha in wezen een kruis dat zwaar drukte op de massa van de wereld gesymboliseerd door ontelbaar veel korrels zand."
De zuidelijke tuin heet Zuihō-tei, de Tuin van de Veelbelovende Berg. Tegen een gesnoeide structuur die een rechte hoek vormt staat een groep stenen op en bij een lage mosheuvel. De hoogste verticale steen staat in de hoek; dit zal de veelbelovende berg zijn. De geharkte golven in de gravel worden naar de rotsen toe hoger. Dat roept een gevoel op van een zeer energieke beweging naar het hoogste punt toe, tot zelfs op de rand van onrust.
Er is een binnentuin (tsubo), zoals zo vaak in tempels en kloosters. Hij zou van Shigemori kunnen zijn, maar dat weten we niet zeker. Op de achtergrond op de foto staat bij een compacte stenengroep van bescheiden formaat nu eens niet een varen of een bamboe, maar een Equisetum.
We vragen hier ook aandacht voor Saburō Sone, een tuinarchitect uit de tweede helft van de 20e eeuw. Hij ontwierp een indrukwekkende stenengroep voor de ingang van Tenryū-ji (Andere Japanse tuinen-2).
In de haven van Ōtsu ontdekten we in 1998 een creatie van de kunstenaar Bukichi Inoue (1930-1997). Hij noemde die zelf Suimen e no kairō, Biwa-ko: galerij naar het water, het Biwameer. Het was gereed in 1997, het jaar van zijn voortijdige dood. Toen we daar stonden, waren we ons er niet van bewust dat het deel uitmaakt van een tamelijk groot "park", dat door de inwoners van Ōtsu wordt genoemd Shinboru ryokuchi kōen, Symbool van bebost gebied. Maar we kwamen dit te weten door bij de gemeente Ōtsu te informeren. De Afdeling International Affairs was heel vriendelijk en behulpzaam.
Suimen e no kairō bestaat uit twee rijen granieten zuilen met daartussen in plaveisel van grote vierkante granieten tegels een rij kleine bomen. De bomen, Lagerstroemia indica, hebben een prachtige bast, wat vooral goed uitkomt als het blad er af is.
Het is een tuin in een zeer elementaire vorm: bomen in de omarming van pilaren. In het land van de Zen-tuin zijn de vragen naar wat een tuin is en wanneer iets een tuin is, opnieuw gesteld en beantwoord.
Het ontwerp is een zuivere vertaling van de gedachte en de verhoudingen doen weldadig aan.
Geboeid blijven we ervoor staan.
Lopen we naar het water?
Inhoud Andere Japanse tuinen-1 Volgende