Arnoldshof
Andere Japanse tuinen-2
De Kamakura periode (1185-1336) en Muromachi periode (1336-1573)
Vrijwel alle tuinen die bewaard zijn gebleven behoren bij paleizen en tempels. En veel van die tempels waren oorspronkelijk villa’s van teruggetreden keizers of van prinsen. Zo ook Nanzen-in, dat in 1274 gesticht is door keizer Kameyama. De tuin is kleiner dan die eerder werden besproken, en ligt aan twee zijden om de tempel heen. De vijver is veel meer langwerpig dan de vorige vijvers, en volgt de L- vorm van de tuin. Men zegt dat hij de vorm heeft van een draak. De tuin is typisch voor de late Kamakura periode. Je kunt om de vijver en de waterval heen lopen, langs de bergwand die achter het linkerdeel van de tuin oprijst. Dit deel maakte op ons de meeste indruk. Een relatief groot en zorgvuldig uitgevoerd eiland, de waterval in het halfduister, de helling erachter. Mooi om te zien, vanaf de veranda en tijdens de wandeling.
Een tuin die hier goed bij aansluit is Tenryū-ji van 1339. De tempel is gesticht ter nagedachtenis aan keizer Godaigo, op de plaats waar eerder een villa was van Prins Kaneakira (914-987) en later van keizer Kameyama. Het ontwerp is van Musō Soseki, bijgenaamd Kokushi, die ook de eerste abt was. Het was wel bijzonder dat hij zich met zoiets bezig hield, want het werken met stenen was voor het volk uit de onderste sociale laag, de verschoppelingen. En tuinen werden verder alleen gemaakt door de priesters van Ninna-ji, die veel minder geacht werden. Van Musō werd het geaccepteerd, omdat hij een wijs en hooggeacht man was. De bijnaam Kokushi betekent “Leraar van de natie".
|
schiereilanden vóór de hōjō |
waterval en 7-stenen groep |
schuin tegenover de waterval, de mooie haiseki |
Een prachtige tuin. Wat ons bijzonder opvalt: de nantei met daarachter de schuin in de vijver stekende schiereilanden, boeiende stenen, mooi geplaatst. Afwisselende beplanting, trefzeker in de vormen, goed onderhouden. Ook buiten de hoofdtuin zijn mooie gedeelten: achter de vijver op de heuvel een prettige wandeling langs een diepliggend loopje, bovenlangs met uitzicht op grote bamboes en de gebouwen met hun indrukwekkende daken. Lager weer een prachtig loopje met karpers.
Voor de ingang van de tempel is in 1986 door Saburō Sone een nieuwe tuin gemaakt van slechts 64 m2. Hij zag het als zijn opdracht vóór de beide grote gebouwen een krachtige tuin te maken, die aansloot bij de traditie van de tempel en de tuin erachter. Het werd een Zen-tuin die het Eiland van de Eeuwige Jeugd symboliseert, met behulp van zeer grote stenen. Er is ook een groep van de drie Heiligen. Het witte zand verbeeldt de wolken, waarboven de bergen uitrijzen. Het geheel moet een indruk wekken vergelijkbaar met die van een tekening in zwarte inkt.
Soms is van een tuin uit deze tijd maar een deel bewaard gebleven. Hèt pad in Tenju-an uit 1338 is zo’n juweel. Ook deze tempel heeft tijden van verval doorgemaakt. Het is goed dat bij weer een restauratie dit pad nooit is opgeruimd. Het past nu heel goed in de nieuwe omgeving. die wel verzorgd is, maar niet heel boeiend.
Er zijn ook tempels gesticht op plaatsen, waar weinig ruimte was voor tuinen. Toch zijn daar vaak heel verzorgde hoven ontstaan, met een zuivere atmosfeer en mooie details, paden en soms ook kleine begraafplaatsen, zoals in Tōkei-ji uit 1285, tegen een berghelling in Kitakamakura bij Tōkyō. Deze tempel is beter bekend als Enkiri-dera, Scheidingstempel. Hij werd gesticht door de weduwe van de regent Hōjō Tokimune, als wijkplaats voor de slachtoffers van ongelukkige huwelijken. Vrouwen konden, in tegenstelling tot mannen, niet scheiden; maar als ze deze tempel konden bereiken werden ze na drie jaar (later twee) toch als gescheiden beschouwd.
Belangrijk was blijkbaar, dat er een paviljoen was met meerdere verdiepingen, Ruriden geheten. Nadat in 1394 Shōgun Ashikaga Yoshimitsu zijn ambt had overgedragen aan zijn zoon, verwierf hij een groot terrein waarop een vervallen tempel stond. De oude naam is Rokuon-ji, de Tempel van het Hertenkamp. Nu is de tuin bekend als Kinkaku-ji, naar het Gouden Paviljoen. Dit is gebouwd met als voorbeeld de Ruriden van Saihō-ji, met als doel het bewaren van de beenderen van Boeddha. (Waar die vandaan kwamen is ons niet duidelijk.) Het Gouden Paviljoen ligt aan een prachtige vijver, de Spiegelmeer Vijver. De eilanden in de vijver worden gezien als symbolen uit de Boeddhistische kosmologie, waarin negen bergen en acht zeeën een rol spelen. De tuin wordt heel druk bezocht, maar wij ondervonden toch de betovering van de spiegelende vijver met de prachtige eilanden. De bezoekers blijven namelijk maar aan één kant. Het geheel wordt glanzend onderhouden.
Weer bijna een eeuw later, in 1482, bouwt Shōgun Ashikaga Yoshimasa een villa die Ginkaku-ji gaat heten, het Zilveren Paviljoen. Er staat weer een paviljoen met meerdere verdiepingen. Maar in tegenstelling tot Kinkaku-ji is het niet bekleed met het zilver waaraan het zijn naam dankt. Na de dood van Yoshimasa werd deze villa een tempel met de naam Jishō-ji. De tuin ligt tegen een berghelling. Je kunt er helemaal omheen wandelen en ziet dan de zo verschillende elementen. Daar zijn de mooie gebouwen, de zandstructuren in het midden, zilverzandmeer en zilverberg, en in contrast daarmee de vijvertuin. Er is een mooie klim langs de bergwand, beloond met een boeiend uitzicht over de tuin en over Kyōto. Het onderhoud is perfect. Probeer zo vroeg mogelijk op de dag te gaan, want de tuin verdraagt de drukte veel minder dan Kinkaku-ji.
Andere tijden, andere tuinen
De ontwikkeling die de tuinkunst tot dusver doormaakte is nog vrij eenvoudig te overzien. Maar dan wordt het moeilijker om de elementen die bij het ontwerpen een rol spelen ten opzichte van elkaar te plaatsen. En toch kun je, net als bij de andere kunsten, meer zien en genieten als je meer weet.
Soms hebben ook maatschappelijke en politieke ontwikkelingen grote invloed.
In de Kamakura periode (1185-1336) en de daarop volgende Muromachi periode (1336-1573) wordt Japan verscheurd door burgeroorlogen. De Keizer en de Shōguns die de feitelijke macht zouden bezitten, hebben hun greep op het land geheel verloren. Allerlei clans bevechten elkaar in meestal bloedige twisten. Pas aan het eind van de 16e en het begin van de 17e eeuw slagen enkele krijgsheren-bestuurders er in rust in het land te brengen. Dat gebeurt soms met een waar schrikbewind, en in elk geval met maatregelen, die de maatschappelijke orde grondig veranderen. Dit alles heeft ook grote invloed op de tuinkunst.
De Edo tijd
Een van deze maatregelen is de herschikking van de sociale klassen. Behalve de priesters en de edelen waren er daarvan vier: samurai, kooplieden, handwerkslieden en boeren. En dan waren er nog de verschoppelingen, die zich in leven hielden met werk dat als minderwaardig of onrein werd beschouwd, zoals het verzorgen van de doden en het looien van leer. Shōgun Tokugawa Ieyasu verwisselde de klassen van boeren en kooplieden in rangorde, en verbood het overgaan van de ene klasse naar een andere. Verder bepaalde hij, dat de samurai, die vaak zeggenschap hadden over grote bezittingen aan land, zich niet meer met de landbouw mochten bemoeien, en de boeren geen wapens meer mochten dragen. Met deze maatregelen kreeg Ieyasu de machtsbasis geheel bij het Shōgunaat. De samurai waren hun financiële armslag kwijt, de boeren konden niet meer in opstand komen tegen de hoge belastingen, de kooplieden, waarvan er in de afgelopen eeuwen veel zeer rijk geworden waren, konden niet tot aanzien komen.
Getrouwe daimyō worden als gouverneurs van de verschillende provincies aangesteld; zij worden verplicht er kastelen te bouwen. Rond die kastelen komen veel verarmde samurai wonen.en ontwikkelen zich steden. De daimyō moeten ook meerdere huizen hebben in de hoofdstad Edo, het huidige Tōkyō. Het gezin moet daar permanent wonen, de daimyō zelf regelmatig langere tijd. De daimyō worden hierdoor feitelijk in gijzeling genomen, en door de aanzienlijke investeringen die nodig zijn om binnen hun klasse mee te blijven tellen worden ze ook financieel kort gehouden.
Doordat zij, en ook de samurai die niet geheel verarmd waren, in de hoofdstad weinig te doen hadden, gingen zij zich richten op activiteiten als het verfraaien van hun villa’s, het maken van tuinen en niet in de laatste plaats op de theeceremonie. Van de tuinen in Edo is het meeste in de loop van de tijd verwoest door branden en aardbevingen. Wel zijn er bij de kastelen in de provincies mooie grote tuinen overgebleven. Een aantal daarvan is het bezit gekomen van de steden, en voor het publiek toegankelijk. We noemen daarvan Kōraku-en in Okayama, Koishikawa Kōraku-en in Tōkyō, Ritsurin in Takamatsu en Rikugi-en in Tōkyō. De beide laatste bespreken we hier, Kōraku-en in Okayama op pagina 4.
Ritsurin. Takamatsu: Aan dit park is door opeenvolgende generaties daimyō van het geslacht Takatoshi gewerkt, van 1673 tot 1741. Het is een park van 75 ha, met veel waterpartijen en gesymboliseerde beroemde landschappen. De ligging aan de voet van de berg Shiun leidt tot mooie beelden. In het centrale deel staan veel tamelijk lage gesnoeide pijnbomen. Het stuk met Kikugetsu-tei (theehuis) vinden wij het meest boeiend. Hier zijn mooie stenen aan en in het water, de beroemde hoge brug en heuvels van waaruit je mooie uitzichten hebt over de grote vijvers. Opvallend is daarbij een eiland van rotsen met de naam "Kluizenaarskust" (Sengi).
Rikugi-en, Tōkyō: Begonnen 1695. Een groot park midden in de stad, maar wel in een deel met niet zo hoge bebouwing. Ook staan er veel hoge bomen aan de randen. De centrale vijver, het stroompje, de miniatuur bergen en de planten samen stellen 88 scènes voor die beschreven worden in beroemde waka (gedichten van 31 lettergrepen). Het eiland in het midden is tamelijk groot met twee heuvels erop en een steen die geassocieerd wordt met de eerste twee goden uit de Japanse mythologie: Izanagi en Izanami. Er is ook een rotseiland, volgens de folder een Hōrai-jima en gelijkend op een schildpad. Ons leek het meer een soort rups, een spanrups, en we vonden het erg mooi in die wat nevelige morgen. De tuin is zeer goed verzorgd, de vormen zijn voornamelijk rond, alles is mooi. Er is een heuvel als uitzichtpunt. De donkere hoek van de tuin waar de waterval is, heeft een heel ander karakter. Er zijn daar curieuze soms bijna dierlijke stenen, waaronder een “springplank” en een organisch uitziende gevouwen steen.